Karel Doorman
.
"Ik val aan, volg mij" - " All ships. Follow me "
.
Karel Willem Frederik Marie Doorman werd op 23 april 1889 geboren in Utrecht en was een zoon van de legerofficier Carel Willem Frederik Doorman en Anna Catharina Theresia Maria Kleintjens. Op 4 september 1906 kwam hij als adelborst der derde klasse bij de Koninklijke Marine. Op 1 september 1908 werd hij gepromoveerd tot adelborst der tweede klasse en op 24 augustus 1910 was hij opgeklommen tot de rang van adelborst der eerste klasse. Hij diende vervolgens enige jaren in Nederlands-Indië, waar hij ondertussen gepromoveerd was tot luitenant ter zee der tweede klasse.

In 1915, twee jaar voor het ontstaan van de Marineluchtvaartdienst, behaalde hij reeds zijn FAI (civiel) vliegbrevet en in 1916 zijn marinebrevet. Twee jaar later zette Karel Doorman met enkele anderen in Nederland de Marineluchtvaartdienst op, en hoewel er beweert wordt dat hij als één van de oudste MLD-vliegers de eerste commandant van het marinevliegkamp "De Mok" op Texel was, is hij dit nooit geweest. In een persoonlijk interview dat ik had met zijn kleinzoon, Jan Maarten Doorman, blijkt dit een enorm misverstand te zijn !

In 1918 wordt Karel Doorman instructeur op marinevliegkamp "De Kooy" bij Den Helder, en van 1919 tot 1921 is hij commandant van "De Kooy". Op 6 mei 1919 treed Doorman in het huwelijk met Justine Amatha Dorothea Schermer, een verbintenis die trouwens op 16 juni 1934 door echtscheiding werd ontbonden. Uit dit huwelijk werden twee zoons en een dochter geboren. Op 1 november 1920 was hij ondertussen bevorderd tot luitenant der zee der eerste klasse. Op 2 november 1921 volgde een plaatsing op de Hogere Marine Krijgsschool en daar behaalde hij na twee jaar de aantekening 'meer uitgebreide kennis wetenschap'.
Eind 1923 ging hij voor de tweede keer naar de Oost, thans voor vier jaar, en diende daar zowel aan de wal als op de vloot. Na terugkeer in 1928 in Nederland werd Doorman tot eind 1931 bij het departement van Marine geplaatst. In 1932 ging hij als commandant van de nieuwe mijnenlegger Hr.Ms. Prins van Oranje naar de Oost. Deze derde periode in het Verre Oosten duurde twee jaar waarin hij alleen op torpedobootjagers diende, als commandant van Hr.Ms. Witte de With en Hr.Ms. Evertsen. Ondertussen was hij op 1 februari 1933 gepromoveerd tot kapitein-luitenant ter zee. Na zijn terugkeer in Nederland in 1934 werd hij benoemd tot chef van de staf der zeemacht in Willemsoord, welke functie door hem van juni 1934 tot 4 september 1937 werd bekleed. Op 8 oktober 1934 treed Doorman voor de tweede maal in het huwelijk, ditmaal met Isabella Jacqueline Julie Jeanne Heyligers en uit dit huwelijk wordt later een zoon geboren.

In 1937 ging Doorman voor de vierde maal naar Nederlands Oost-Indië, waar hij eerst commandant was van achtereenvolgens de kruisers Hr.Ms. Sumatra en van Hr.Ms. Java en van 17 augustus 1938 tot 16 mei 1940 belast was met het bevel over de marineluchtvaartdienst in Nederlands-Indië, dat hij tot een hoge graad van geoefendheid trachtte te krijgen, omdat hem duidelijk was wat het belang zou zijn van het vliegtuig in een toekomstige oorlog. Van 13 juni 1940 tot 27 februari 1942 werd daar door hem het commando over het Nederlands eskader in Nederlands-Indië gevoerd. Inmiddels had op 16 mei 1940 zijn bevordering tot Schout-bij-nacht plaatsgevonden. In deze functie moest Doorman Japan, dat na het bombardement op Pearl Harbor op 7 december 1941 door Nederland de oorlog was verklaard, beletten in de archipel door te dringen en troepen te laten landen. Om deze reden kreeg hij tevens vanaf 3 februari 1942 het commando over een geallieerd eskader dat in de Indische wateren zou opereren. Als bevelhebber heeft Doorman zich een uitstekend leider getoond door in zeer korte tijd van de onder zijn bevel staande oorlogsschepen een effectieve strijdmacht te maken. Hij realiseerde zich dat luchtsteun van zeer groot belang was indien men de Japanners op zee verliezen wilde toebrengen.

Op 26 februari 1942 krijgt Doorman een bevel van vice-admiraal Conrad Helfrich, de bevelhebber van de geallieerde zeestrijdkrachten in het ABDA-gebied ( ABDA = American-British-Dutch-Australian), om een naderende Japanse invasievloot aan te vallen. Door een onvoldoende luchtsteun, een gebrekkige seincommunicatie, slecht werkende verbindingssystemen, de oververmoeidheid van het geallieerde personeel en het onkundig zijn van de Japanse lange afstandstorpedo, leek deze opgave bij voorbaat al gedoemd om te mislukken. Op 27 februari 1942 vond in de Javazee de beslissende zeeslag plaats tussen Doormans eskader en het Japanse eskader onder leiding van schout-bij-nacht T.Takagi, dat bestond uit veertien torpedobootjagers, twee lichte en twee zware kruisers. Tijdens deze heroïsche zeeslag sneuvelt Karel Doorman. Hoewel hij genoeg tijd heeft, ruim 1 uur, om zijn vlaggenschip, Hr.Ms. de Ruyter, te verlaten, besluit hij, geheel volgens de marinetraditie, om aan boord te blijven en samen met zijn schip ten onder te gaan. Voor zijn heldhaftig optreden tijdens de Slag in de Javazee wordt hij bij Koninklijk besluit van 5 juni 1942 nr.9 postuum benoemd tot Ridder der derde klasse der Militaire Willemsorde.

Doorman had een zeer goed verstand, een grote algemene ontwikkeling en viel op door zijn uitstekende manieren en vermogen om snel contact te leggen. Tegenover zijn collega's kon hij soms op een enigszins minachtende en ongeduldige wijze optreden en voor de doodgewone schepeling was Doorman streng, doch rechtvaardig. Hij was geen uitzonderlijk tacticus, maar had zeker meer kwaliteiten dan de gemiddelde zeeofficier uit zijn jaren. Ter herinnering werd na de Tweede Wereldoorlog een vliegkampschip naar Karel Doorman genoemd. De bouw van dit schip begon in 1942 in Birkenhead in Groot-Brittannië. In januari 1945 werd het schip door de Britse marine in dienst genomen als HMS Venerable. De Venerable werd vervolgens in 1948 aangekocht door Nederland voor een bedrag van 27 miljoen gulden en werd in mei 1948 omgedoopt tot Hr.Ms. Karel Doorman. Het vliegdekschip maakte tot 1968 deel uit van de Nederlandse vloot en werd vervolgens in mei 1968 verkocht aan de Argentijnse marine.

Op 20 april 1988 doopte Hare Majesteit Koningin Beatrix in Vlissingen het nieuwe fregat 'Karel Doorman', waarmee de naam van deze Nederlandse zeeheld bij de Koninklijke Marine wordt voortgezet. Het wapenschild van Hr.Ms. Karel Doorman droeg lange tijd nog de titel "Ik val aan, volg mij". Deze beroemde woorden zou Karel Doorman tijdens de Slag in de Javazee hebben uitgesproken. Dit is echter een groot misverstand, omdat hij immers het bevel voerde over een internationale eenheid en zou dus nooit het bevel in het Nederlands hebben gegeven. Hij heeft echter wel de volgende woorden uitgesproken : "All ships follow me" en het nieuwe wapenschild van de Hr.Ms. Karel Doorman kreeg dan ook de nieuwe titel "Follow me".

= = = = =

Karel Willem Frederik Marie Doorman (Utrecht, 23 april 1889 – Javazee, 28 februari 1942) was een Nederlands Schout-bij-nacht. De Engelse naam voor zijn rang is Rear Admiral, en zo raakte hij bij de geallieerden onder zijn bevel, en later in de Engels sprekende wereld, bekend als Admiral Doorman. Doorman kwam om tijdens de Slag in de Javazee. Ter nagedachtenis heeft de Koninklijke Marine tot drie keer toe een schip naar hem genoemd (zie Hr. Ms. Karel Doorman).

Doorman, geboren in Utrecht en katholiek opgevoed, stamde uit een familie van beroepsmilitairen. In 1906, zeventien jaar oud, werd hij adelborst en in 1910 kwam zijn benoeming tot officier. Na drie jaar Nederlands-Indië als jong officier met onder meer werkzaamheden als het in kaart brengen van de kustwateren van Nieuw-Guinea kwam zijn verzoek tot plaatsing bij de Luchtvaartafdeeling. Hij was een van de eerste marineofficieren die een vliegbrevet behaalde, en werd al snel een van de organisatoren van de Marine Luchtvaartdienst. Van 1915 tot 1918 was hij gestationeerd bij de Luchtvaartafdeeling (LVA) te Soesterberg en ontmoette hij Albert Plesman, die daar ook vlieger was maar dan van de landmacht. In 1915 behaalde hij zijn civiele (FAI) vliegbrevet en in 1916 het belangrijkere marinevliegbrevet. Van 1917 tot 1921 was hij instructeur, eerst te Soesterberg en vanaf 1918 op het marinevliegkamp De Kooij bij Den Helder. Van dit laatste landvliegkamp van de marine was hij van 1919 tot 1921 tevens de commandant. Vanwege zijn verdiensten voor de Marine Luchtvaartdienst werd hij in 1922 koninklijk onderscheiden (ridder in de orde van Oranje Nassau).

Een ernstige armkwetsuur, opgelopen bij een schaatstocht naar De Kooij, plus het feit dat bezuinigingen op de Marine Luchtvaartdienst in de maak waren, zorgden ervoor dat Doorman zijn actieve vliegloopbaan moest (en wilde) opgeven. Van 1921 tot 1923 volgde hij de Hogere Marine Krijgsschool te Den Haag, essentieel voor een verdere loopbaan als marineofficier. Eind 1923 werd hij geplaatst op het departement van Marine te Batavia, en had onder meer zitting in commissies die moesten leiden tot het samensmelten van de Marine Luchtvaartdienst met de luchtvaartafdeling van het KNIL. Deze samensmelting heeft nooit plaatsgevonden.

In 1926 volgde na elf jaar weer eens een langere benoeming aan boord van een marineschip, namelijk op het pantserschip Hr. Ms. De Zeven Provinciën. Tot eind 1927 was hij aan boord van dit schip geplaatst als officier van artillerie later in combinatie met de functie van eerste officier. Begin 1928 keerde hij terug naar Nederland en werd hij geplaatst op het departement van Marine te Den Haag als eerst verantwoordelijke voor de aanschaf van materieel voor de Marine Luchtvaartdienst. Begin 1932 volgde zijn eerste commando over een schip, namelijk de mijnenlegger Prins van Oranje. Met dit schip voer hij in hetzelfde jaar voor de derde maal naar Nederlands-Indië. Al snel werd dit commando vanaf 1932 ingeruild voor dat van een torpedobootjager, eerst de Witte de With en later vanaf eind 1932 de Evertsen. Met dit laatste schip was hij ook betrokken bij de actie tegen de muiters op De Zeven Provinciën, februari 1933.

In januari 1934 keerde Doorman terug naar Nederland met de Evertsen. Hierna volgde een periode van drie jaar als chefstaf van het marinecommandement te Den Helder. Doorman vertrok in 1937 naar Nederlands-Indië als kapitein ter zee om als commandant over respectievelijk de kruisers Sumatra en Java bevel te voeren. In 1938 volgde zijn benoeming tot Commandant van de Marine Luchtvaartdienst in Nederlands-Indië.

In 1940 werd hij Schout-bij-nacht en volgde zijn benoeming tot eskadercommandant te Soerabaja. Begin 1942 kreeg hij het bevel over de Combined Striking Force van ABDACOM, het American British Dutch Australian Command. Doorman kwam om het leven toen zijn schip De Ruyter tijdens de Slag in de Javazee tot zinken werd gebracht. Een deel van de bemanning kon worden gered, maar Doorman verkoos, volgens oude marinetraditie, met het schip ten onder te gaan. Op 5 juni 1942 werd hem postuum de Militaire Willemsorde, IIIe klasse, verleend, die op 23 mei 1947 door luitenant-admiraal C.E.L Helfrich, aan boord van Hr. Ms. Karel Doorman in het bijzijn van Prins Bernhard, werd uitgereikt aan de oudste zoon van de Schout-bij-nacht.

Doorman is van 1919 tot 1934 getrouwd geweest met Justine Schermer, en vanaf 1934 met Isabella Heyligers.

Tussen 1946 en 2006 zijn met tussenperioden drie vaartuigen in dienst geweest van de Koninklijke Marine vernoemd naar Karel Doorman, waaronder een voormalig Brits vliegdekschip uit de Colossusklasse, het grootste schip ooit door de marine gevaren.

In 1949 werd een straat in het centrum van Rotterdam naar Karel Doorman vernoemd, en in 1959 gaf de winkeliersvereniging aan beeldhouwer Willem Verbon opdracht voor een bronzen borstbeeld. Op de sokkel staat onder andere de tekst Invia virtuti, nulla est via (voor moed is geen weg onbegaanbaar).

Karel Doorman wordt vaak geëerd omdat hij tijdens de Slag in de Javazee "Ik val aan, volg mij" zou hebben gezegd, wat erg dapper werd gevonden. De werkelijke toedracht is veel prozaïscher.

Op 27 februari 1942 om ongeveer vier uur 's middags kregen de Japanse en geallieerde eskaders elkaar in zicht. Het geschut van de beide Japanse kruisers reikte echter verder dan het geallieerde geschut, en omstreeks vijf uur werd de Britse kruiser Exeter getroffen. Twintig minuten later werd de Nederlandse torpedobootjager Kortenaer getorpedeerd. Het schip explodeerde en brak in twee stukken. In het geallieerde eskader ontstond verwarring over de te volgen koers, onder meer doordat de Exeter nog maar op halve kracht kon varen en op eigen gelegenheid naar de haven Tanjung Priok wilde terugkeren.

Om aan de verwarring een eind te maken zond Doorman het sein: "[to] All ships. Follow me". Daarmee gaf hij aan dat "alle schepen" niet de Exeter, maar het vlaggenschip De Ruyter moesten volgen. In de daarop volgende uren gingen onder meer de kruisers De Ruyter en Java verloren. Het restant van het geallieerde eskader leverde een dag later slag bij de westpunt van Java, en werd daar naar de kelder gejaagd. De Japanse invasiemacht landde op Java, en de bezetting van Nederlands-Indië was begonnen.



Karel Doorman