Van Speijk
.
DAN LIEVER DE LUCHT IN

De zelfopoffering van Jan Carel Josephus van Speyk zorgde voor grote bewondering in het prille Koninkrijk der Nederlanden. Zo besloot Koning Willem I dat er altijd een schip bij de Koninklijke Marine zou varen dat Van Speyk heet. De overblijfselen van zijn schip werden gekoesterd, en de mast staat nog altijd bij het Koninklijk Instituut Marine. Jan Carel Josephus van Speijk, in 1802 geboren, was reeds vroeg wees, zodat hij werd opgevoed in het Burgerweeshuis in Amsterdam. Zijn oudere broer was bij de marine terecht gekomen en hoewel Jan Carel oorspronkelijk voor het kleermakersberoep werd opgeleid werd ook hij door de zee aangetrokken. Hij wist zich door zelfstudie te bekwamen zodat hij in 1820 een plaats als stuurmansleerling kreeg. De dienst aan boord gaf hem de overtuiging dat zijn ontwikkeling tekort schoot om tot de officiersrangen op te klimmen. In 1821 nam hij daarom ontslag, om zich aan de wal voor verdere examens te bekwamen. Zo bereikte hij tenslotte zijn doel. Hij maakte een tropenterm en commandeerde verschillende kleinere oorlogsschepen, waarbij hij zich bij de pacificatie van de archipel en de bestrijding van de zeerovers meermalen onderscheidde.

In 1829 voer Van Speijk thuis en in 1830 werd hem het bevel over Zr. Ms. 'Kanonneerboot No.2' opgedragen. Het schip werd bij het Scheldeflottielje ingedeeld en tijdens gevechten bij Antwerpen verwierf Van Speijk de Militaire Willemsorde. Op 5 februari 1831 woei het hard op de Schelde en het ten anker liggende schip raakte door het krabben van het anker bezet op lager wal. Onder zeil gaan baatte niet en vóór er tijd was om een werpanker uit te brengen, sprongen opstandelingen van de wal op het schip over. Van Speijk had gezworen dat zijn schip nimmer in handen der opstandelingen zou vallen. Hem bleef maar één middel over om die eed gestand te doen. Volgens het verhaal heeft hij zijn besluit in alle kalmte genomen. Hij ging benedendeks en stak een sigaar op. Een scheepsjongen liep hem voor de voeten en uit een paar woorden die Van Speijk tegen hem sprak kreeg deze blijkbaar in de gaten wat de commandant van plan was. Hij waarschuwde een paar maats en sprong met hen overboord. Even later vloog het scheepje door de ontploffende kruitkamer met een donderende knal in de lucht.

Behalve de paar schepelingen die over boord waren gesprongen vonden alle opvarenden de dood. Deze daad van Van Speijk veroorzaakte een golf van enthousiasme in Noord Nederland. De inmenging van de grote mogendheden in het geschil tussen Noord en Zuid had veel kwaad bloed gezet en het optreden van Van Speijk werd aangevoeld als een symbool van onze zelfstandigheid. Het stoffelijk overschot van Van Speijk werd met grote luister in de Nieuwe Kerk in Amsterdam bijgezet en een gedenksteen werd opgericht. Dit geschiedde eveneens in het burgerweeshuis, waar hij was opgevoed. Nog steeds zingen de Adelborsten: 'Het voorbeeld door Van Speijk gegeven, volgen wij met hart en hand.' Sindsdien is er een Koninklijk Besluit van kracht geworden (11-februari-1831, No. 81) waarin bepaald is dat altijd één van de schepen of vaartuigen van de zeemacht de naam "Van Speijk" zal voeren. Het Wapen van Van Speijk : In keel een paal van sabel, beladen met een exploderende, omgewende, houten 19e eeuwse gaffelkanonneerboot van zilver, alles op een golvende schildvoet van azuur. Als embleemspreuk DAN LIEVER DE LUCHT IN in Latijnse letters van zilver op een lint van keel. Het embleem is afgeleid van het gemeentewapen van Amsterdam, dat is beladen met een afbeelding van de exploderende boot van Van Speyk.
.
Jan Carel Josephus van Speijk        31 januari 1802 - 5 februari 1831

De winter van 1831 was streng, ook in België. Meermalen al had het Nederlandse marinedetachement bij Antwerpen zich die winter stroomafwaarts moeten terugtrekken achter de sluizen van de citadel, om te voorkomen dat de schepen ten prooi zouden vallen aan de ijsgang op de rivier. Bovendien konden de schepen ieder moment worden aangevallen door de Belgen zelf, sedert de zomer van 1830 in opstand tegen het wettige bewind van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De opstandelingen trokken zich klaarblijkelijk niet al te veel aan van de voorlopige wapenstilstand die na het bombardement van Antwerpen van 27 oktober 1830 was getekend. In het begin van de maand oktober had Antwerpen zich bij de opstand tegen het bewind van koning Willem I aangesloten, en sinds dat moment was de stad afgesneden geraakt van haar natuurlijke uitweg naar de Noordzee. Alle schepen die de Schelde bevoeren, werden door Hollandse marineschepen gecontroleerd en zonodig in beslag genomen. De koninklijke troepen hadden zich onmiddellijk verschanst in de citadel van Antwerpen, van waaruit zij de stad in de gaten hielden en regelmatig beschoten. Deze belangrijke vesting, en daarmee de heerschappij over de Westerschelde, mocht voor het Koninkrijk niet verloren gaan. Maar net als de Belgische opstandelingen zaten ook de Nederlandse troepen nu min of meer gevangen in hun verschansing. Belgische vrijkorpsen en burgerwachten hielden hen continu in de gaten. Alleen via de Schelde konden er verbindingen worden onderhouden met het Noord-Nederlandse achterland. Aan deze patstelling leek voorlopig geen einde te komen. Op 5 februari, toen het ijs in de Schelde voor Antwerpen eindelijk was verdwenen kreeg de 29-jarige Luitenant ter Zee 2de klasse Jan Carel Josephus van Speijk voor de zoveelste keer die winter het bevel zich met zijn kanonneerboot no. 2 te geven naar zijn vaste post voor Austruweel, even ten noorden van Antwerpen. Van Speijk zal opgelucht zijn geweest dat nu eindelijk aan het lange wachten een einde was gekomen. Het was hoog tijd dat er einde werd gemaakt aan de aanvallen van de opstandige Belgen. De jonge luitenant was ongeduldig, eerzuchtig en vastbesloten zijn vaderland zo goed mogelijk te dienen. Dat was ook gebleken bij het bombardement van Antwerpen van 27 oktober: zijn kanonnen hadden als eerste het vijandelijk vuur beantwoord.



Luitenant Jan Carel van Speijk moest optreden waar andere hadden gefaald. Zijn opdracht was simpel: het controleren van scheepsladingen. Alle schippers die de stad vanuit het noorden wilden aandoen, dienden aan boord van een Nederlandse kanonneerboot hun papieren te laten zien. Ladingen die voor oorlogsdoeleinden konden worden gebruikt, werden zonder pardon in beslag genomen. Mocht een schipper het wagen de controle te ontduiken, dan moest er gericht en met scherp worden geschoten. Kort daarvoor, op 11 januari om precies te zijn, had een klein binnenvaartuig de Hollandse controle weten te ontduiken. Onder triomfantelijk gejuich was de lading door de schipper en zijn mannen aan de kade gebracht. De commandant van kanonneerboot no. 9, op dat moment verantwoordelijk voor de controle, was driftig geworden en had genoegdoening geëist, maar hij had slecht hoongelach en beschimpingen ontvangen. Hij werd onmiddellijk door kapitein-luitenant J.C. Koopman uit zijn functie gezet, en vervangen door Van Speijk. Het was niet de eerste keer geweest dat het Hollandse detachement ter plaatse vernederingen had moeten ondergaan. Eerder had een korvet van de marine zich ternauwernood kunnen redden toen het door Antwerpenaren dreigde te worden geënterd. Van Speijk was vastbesloten zich een dergelijke belediging niet te laten welgevallen. Sterker nog, op 19 december 1830 had hij aan een nicht in Amsterdam geschreven 'dat eerder nog boot en kruid en mij de lugt in gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig overtegeven'. Liever spiegelde hij zich, zo schreef hij verder in de brief aan de held Reinier Claassen, die in 1606 zijn schip de lucht in had gejaagd om te voorkomen dat het in Spaanse handen zou vallen, dan aan verraders zoals generaal Daine, de provinciaal commandant in Limburg die in oktober 1830 naar de Belgische kant was overgelopen en vervolgens op 11 november de vesting Venlo voor de opstandelingen had ingenomen. Ook zijn eigen matrozen had Van Speijk in de oudejaarsnacht van 1830 voorgehouden dat hij de brand in het kruit zou steken indien zijn schip aan lager wal zou raken en door Belgische muiters zou worden bedreigd. Luid gejuich was toen zijn deel geweest. Het is natuurlijk de vraag of de matrozen wel begrepen hoezeer het Van Speijk ernst was, maar zijn woorden waren in ieder geval goed voor het moreel. Achteraf lijkt het alsof Van Speijk toen al duidelijk heeft willen maken dat hij een eerder door de commandanten van de kanonneerboten gemaakte afspraak serieus zou nemen. Zij hadden elkaar gezworen de voorkeur te geven aan een wissen dood boven een smadelijke behandeling, en nooit te dulden dat de geringste inbreuk gemaakt werd op Neêrlands roem of de eer der vlag

Van Speijk was een teruggetrokken dromer en een romanticus. Als jongen al zou hij bij het graf van Michiel Adriaansz. de Ruyter hebben hebben staan mijmeren over een carrière op zee en over het verrichten van heldendaden voor het vaderland. In het burgerweeshuis te Amsterdam, waar hij sedert zijn elfde jaar verbleef - zijn moeder was in 1812, zijn vader al in 1806 overleden -, had men grote moeite hem in het gareel te houden, zozeer werd hij aangetrokken door de wereld van buiten, de wereld van het IJ. Geen wonder dat hij mislukte als kleermakersleerling. Net als Michiel de Ruyter tuurde hij als kind liever over de zee naar lokkende verten dan zich te onderwerpen aan de werktijden van het weeshuis en de opdrachten die zijn bazen hem verstrekten. Toch mislukte hij aanvankelijk ook op zee. Toen hij zich in 1817 samen met zes andere wezen meldde voor dienst bij de marine, werd hij als enige afgekeurd: Van Speijk was te klein. Het is te danken aan de inspanningen van zijn oudere broer, die eveneens bij de marine diende, dat Jan Carel uiteindelijk in 1820 als stuurmansleerling kon beginnen op de Wassenaar, een oorlogsschip met 74 kanonnen dat naar Algiers werd gestuurd om daar de Willem de Eerste af te lossen op zijn post in de Middellandse Zee. Het leven aan boord voldeed echter niet aan de hooggespannen verwachtingen van Van Speijk. Volgens zijn belangrijkste biograaf, Jacobus Koning, had de stuurmansleerling het vooral moeilijk vanwege zijn geringe gestalte. Aan boord dacht men dat hij een jaar of veertien was. 'Weinig spraakzaam, dikwerf afgetrokken en in niets uitblinkend', voltooide hij zijn treurige reis, aldus Koning. In 1821 keerde hij noodgedwongen weer terug bij kleermaker Gleim in Amsterdam.

Dat Van Speijk uiteindelijk toch koos voor een zeemansbestaan, kwam opnieuw door zijn broer. Op diens aandringen meldde Jan Carel zich weer bij de marine en na een jaar als vierde stuurman op de Zeeland gediend te hebben mocht hij zich na vele verzoeken op 1 januari 1823 adelborst van de tweede klasse noemen en kon hij aan boord van het fregatschip De Dageraad de officierscarrière beginnen waar hij altijd van had gedroomd. Dit keer bracht zijn reis hem naar Oost-Indië, waar hij in een strafexpeditie tegen de afvallige staatjes van Boni en Soepa naam maakte als “schrik der zeerovers”. Van Speijk kreeg het bevel over een barkas (de grootste sloep op een schip), redde in benarde situaties een paar leven van schepelingen en klom zo op tot buitengewoon Luitenant ter Zee 2de klasse. Nadat de expeditie eenmaal in het voordeel van de Nederlanders was beslecht, hield hij zich als commandant van een kanonneerboot met succes bezig met de beveiliging van de wateren rond de tin-eilanden Billiton en Banka. Dit duurde tot het najaar van 1828. Toen alle detacheringen bij de koloniale marine vervolgens werden ingetrokken, kon Van Speijk op 2 april 1829 naar huis. Ongeveer acht maanden zat hij vervolgens werkeloos thuis voordat hij in Hellevoetsluis werd geplaatst op een zogenaamd wachtschip. Daar verdreef hij de tijd voornamelijk met het schrijven van brieven vol zelfbeklag over zijn ellendige situatie en zijn grote verlangen naar een nieuwe reis. Van een grote zeereis zou het echt niet meer komen. Op 5 september 1830 werd Van Speijk naar Antwerpen gedirigeerd om deel te nemen aan de acties tegen de in opstand gekomen Belgen. Toen Van Speijk op 5 februari 1831 met zijn kanonneerboot no. 2 en met 31 bemanningsleden koers zette naar zijn post bij Austruweel, zal hij niet hebben vermoed hoezeer zijn trouw aan vorst en vaderland die dag op de proef zou worden gesteld. Het weer was slecht die dag. Een felle noordwestenwind maakte het manoeuvreren met de kleine kanonneerboot buitengewoon lastig en Van Speijk slaagde er dan ook niet in Austruweel te bereiken. Ter hoogte van het fort Sint Laurentius werd zijn schip door een rukwind tegen de kade geworpen. Het raakte stuurloos en kon zich, ondanks verwoede pogingen daartoe van de bemanning, niet meer op eigen kracht van de walkant losmaken. De weersomstandigheden maakten het voor de andere schepen onmogelijk om Van Speijk te hulp te komen.

Zo raakte de vastgelopen kanonneerboot al snel in een benarde positie. Antwerpse arbeiders die in de buurt van de kade aan batterijen afweergeschut werkten, wisten zich waarschijnlijk nog te herinneren dat juist deze kanonneerboot no. 2 in oktober zo’n centrale rol had gespeeld bij het bombardement. Zij stroomden massaal toe, gevolgd door gewapende burgers en militairen van het vrijkorps 'de Gorter' onder aanvoering van kapitein Grégoire. Grégoire en zijn mannen sprongen aan boord van de kanonneerboot om te verhinderen dat Van Speijk een reddingssloep zou uitzetten en een anker zou uitwerpen. Toen vervolgens vanaf de wal werd geschreeuwd dat de Hollandse vlag moest worden gestreken, verdween Van Speijk in zijn kajuit met de woorden 'wacht, dan zal ik mijne papieren gaan halen'. In zijn hand had hij een brandende sigaar die hij zich door de scheepsjongen, Hendrik Wijler, had laten brengen toen hij bezig was geweest met pogingen om de boot vlot te krijgen. Beneden trof hij de scheepsjongen aan, die hij waarschuwde dat hij zich uit de voeten moest maken ('berg je billen, jong!') en naar boven stuurde. De jongen, die kennelijk begreep wat er te gebeuren stond, stormde het dek op, waarschuwde op zijn beurt de bootsman en de loods en sprong overboord. Enkele seconden later vloog de boot met een daverende klap uiteen: 2de luitenant Van Speijk had zijn sigaar in het kruit gegooid om te voorkomen dat de Nederlandse vlag in Belgische handen zou vallen. Het effect was verbijsterend. De kanonneerboot werd door de kracht van de explosie volledig uit elkaar gerukt. Aan Nederlandse zijde vielen 26 doden. Slechts de scheepsjongen Wijler, de bootsman en de loods hadden zich op tijd uit de voeten kunnen maken. Twee andere bemanningsleden brachten het er levend af omdat zij kennelijk ver genoeg van de explosie af stonden en onmiddellijk in het water werden geslingerd. Een onbekend aantal Belgen, op het schip en op de kade, kwam om het leven.

Van Speijks biograaf, Jacobus Koning acht het raadselachtig dat niet méér bemanningsleden geprobeerd hebben het vege lijf te redden. Per slot van rekening was Hendrik Wijler al goed en wel op het droge toen de boot uiteenspatte. De conclusie van Koning dat dit feit voornamelijk te verklaren valt uit de plechtige afspraak die men eerder onderling had gemaakt, past uiteraard in het beeld van trouw aan vorst en vaderland, maar is niet erg overtuigend. Met evenveel recht zou men kunnen verdedigen dat de bemanningsleden zich geen moment hebben gerealiseerd dat Van Speijk zo letterlijk zou nemen wat hij in de oudejaarsnacht had gezegd. De overlevenden werden liefdevol opgevangen en verzorgd in een Antwerps hospitaal, en verklaarden plechtig dat de opstandelingen slechts aan boord van de kanonneerboot waren gekomen om de schepelingen-in-nood te helpen. Deze verklaring hebben zij na hun uitlevering op 8 februari onmiddellijk herroepen. Toen bleek dat zij door de vrijkorpskapitein gedwongen waren geweest, de in het Frans opgestelde verklaringen te ondertekenen. Van Speijks zelfgekozen dood wekte overal verbazing. De Belgische kranten waren verontwaardigd over zijn buitenproportionele daad en suggereerden dat Van Speijk zijn eigen leven en dat van de andere slachtoffers had geofferd ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Andere bladen schreven dat de schepelingen Van Speijk op het laatste moment hadden gesmeekt zijn voornemen niet ten uitvoer te brengen. Weer andere betoogden zelfs dat alleen Van Speijk was omgekomen en de gehele bemanning zich zwemmend had gered. Het was duidelijk dat de Belgen in hun maag zaten met dit incident en met een dergelijke bereidheid tot zelfopoffering.

In Noord-Nederland leidde Van Speijks dood tot groot enthousiasme. Een nooit meer geëvenaarde golf van nationalistische euforie overspoelde het land en schonk de Nederlandse bevolking weer enig vertrouwen in de toekomst. Het leger kondigde drie dagen van rouw af en vaardigde dagorders uit waaruit Van Speijks 'heldenmoed en onbevlekte trouw' in uiteenlopende termen werd geprezen, ook al liet een enkele soldaat zich in zijn dagboek ontvallen zich met Van Speijks daad in het geheel niet te kunnen verenigen en een oordeel erover maar aan 'wijze mannen' over te laten. De koninklijke marine was vanzelfsprekend in rouw gedompeld. De marinecommandant liet in een verklaring weten dat Van Speijk in zijn daad slechts door plichtsbesef en eergevoel gedreven werd, 'in de hoogste noodzakelijkheid, als het eenige redmiddel, om de aan hem vertrouwde kanonneerboot met eere uit 's vijands handen te houden'. De haat tegen de 'infame Brabanders', zoals de opstandelingen in het Noorden veelal werden genoemd, werd door Van Speijk’s dood tot grote hoogten opgestuwd. De bereidheid om het land te dienen en het 'muitend gespuis' in het Zuiden een lesje te leren, nam sterk toe. Van Speijk’s heldendood toonde volgens velen de herwonnen levenskracht van de Nederlandse natie en maakte een einde aan een periode waarin, zoal de romantische dichter Adriaan van der Hoop het in 1832 uitdrukte, 'eene soort van wereldburgerschap ons meer bezielde dan de heilige zucht voor den grond onzer geboorte'. De opstand der Belgen werd in het Noorden beschouwd als een regelrechte bedreiging van die Oud-Nederlandse geboortegrond. Indirect waren de Belgen ervoor verantwoordelijk dat Nederland werd bevrijd van een diep gevoelde identiteitscrisis. 'Dan gevoelt men weder war de uitdrukking 'ik heb een Vaderland!' in zich bevat', schreef Van der Hoop. Van Speijk was niet voor niets gesneuveld. De zelfopoffering van Jan Carel Josephus van Speyk zorgde voor grote bewondering in het prille Koninkrijk der Nederlanden.  Sindsdien is er een Koninklijk Besluit van kracht geworden (11-februari-1831, No. 81) waarin bepaald is dat altijd één van de schepen of vaartuigen van de zeemacht de naam "Van Speijk" zal voeren. De overblijfselen van zijn schip werden gekoesterd, en de mast staat nog altijd bij het Koninklijk Instituut Marine.









Jan Carel Josephus van Speijk, in 1802 geboren, was reeds vroeg wees, zodat hij werd opgevoed in het Burgerweeshuis in Amsterdam. Zijn oudere broer was bij de marine terecht gekomen en hoewel Jan Carel oorspronkelijk voor het kleermakersberoep werd opgeleid werd ook hij door de zee aangetrokken. Hij wist zich door zelfstudie te bekwamen zodat hij in 1820 een plaats als stuurmansleerling kreeg. De dienst aan boord gaf hem de overtuiging dat zijn ontwikkeling tekort schoot om tot de officiersrangen op te klimmen. In 1821 nam hij daarom ontslag, om zich aan de wal voor verdere examens te bekwamen. Zo bereikte hij tenslotte zijn doel. Hij maakte een tropenterm en commandeerde verschillende kleinere oorlogsschepen, waarbij hij zich bij de pacificatie van de archipel en de bestrijding van de zeerovers meermalen onderscheidde. In 1829 voer Van Speijk thuis en in 1830 werd hem het bevel over Zr. Ms. 'Kanonneerboot No.2' opgedragen. Het schip werd bij het Scheldeflottielje ingedeeld en tijdens gevechten bij Antwerpen verwierf Van Speijk de Militaire Willemsorde. Op 5 februari 1831 woei het hard op de Schelde en het ten anker liggende schip raakte door het krabben van het anker bezet op lager wal. Onder zeil gaan baatte niet en vóór er tijd was om een werpanker uit te brengen, sprongen opstandelingen van de wal op het schip over. Van Speijk had gezworen dat zijn schip nimmer in handen der opstandelingen zou vallen. Hem bleef maar één middel over om die eed gestand te doen. Volgens het verhaal heeft hij zijn besluit in alle kalmte genomen. Hij ging benedendeks en stak een sigaar op. Een scheepsjongen liep hem voor de voeten en uit een paar woorden die Van Speijk tegen hem sprak kreeg deze blijkbaar in de gaten wat de commandant van plan was. Hij waarschuwde een paar maats en sprong met hen overboord. Even later vloog het scheepje door de ontploffende kruitkamer met een donderende knal in de lucht. Behalve de paar schepelingen die over boord waren gesprongen vonden alle opvarenden de dood. Deze daad van Van Speijk veroorzaakte een golf van enthousiasme in Noord Nederland. De inmenging van de grote mogendheden in het geschil tussen Noord en Zuid had veel kwaad bloed gezet en het optreden van Van Speijk werd aangevoeld als een symbool van onze zelfstandigheid. Het stoffelijk overschot van Van Speijk werd met grote luister in de Nieuwe Kerk in Amsterdam bijgezet en een gedenksteen werd opgericht. Dit geschiedde eveneens in het burgerweeshuis, waar hij was opgevoed.

Nog steeds zingen de Adelborsten: 'Het voorbeeld door Van Speijk gegeven, volgen wij met hart en hand.' Sindsdien is er een Koninklijk Besluit van kracht geworden (11-februari-1831, No. 81) waarin bepaald is dat altijd één van de schepen of vaartuigen van de zeemacht de naam "Van Speijk" zal voeren.

Het Wapen van Van Speijk : In keel een paal van sabel, beladen met een exploderende, omgewende, houten 19e eeuwse gaffelkanonneerboot van zilver, alles op een golvende schildvoet van azuur. Als embleemspreuk DAN LIEVER DE LUCHT IN in Latijnse letters van zilver op een lint van keel. Het embleem is afgeleid van het gemeentewapen van Amsterdam, dat is beladen met een afbeelding van de exploderende boot van Van Speyk.

--------------------------------------------------------------------------------

5 februari 1831: Z.M. kanonneerboot numer 2 raakt op de Schelde vóór Antwerpen door een plotselinge windvlaag aan lager wal, zodat Belgen aan boord kunnen springen. De commandant, de tweede luitenant-ter-zee Jan Carel Josephus van Speijk, gooit zijn sigaar in het kruit. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Hij had, in zekere zin, zijn bejubelde zelfmoord eerder aangekondigd. Hij schreef in december 1830 aan zijn nicht 'Intusschen moet ik Ued zeggen (zoo ik hoop mij te willen geloven) dat eerder Boot met kruid en mij in de Lugt gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het Vaartuig over te geven'.

In Nederlands-Indie nam Van Speijk deel aan de strijd tegen de radja van Boni op Zuidwest-Celebes in 1823. In 1825 begon de grote Java-oorlog en spoedig kreeg de jonge zee-officier te Soerabaja het bevel over Z. M. kanonneerboot no 16. Hij bestookte beurtelings de kusten van Bangka en Java en verwierf de bijnaam 'Schrik der Roovers'. HIj was reeds ridder in de Militaire Willemsorde vóór het uitbreken van de Belgische opstand. Zijn heldendood verwekt in het Noorden van het Oranje-koninkrijk een golf van vaderlandsliefde en dan nog wel op het juiste moment, het ogenblik van de wapen oproep van koning Willem I, die de natie rijp moet maken voor de Tiendaagse Veldtocht van Augustus.


--------------------------------------------------------------------------------

Het verhaal van Jan van Speijk


Hier ziet ge als Amstels weeskind staan,
Van Speyk bekend om zeldzaam daên,
Die eerder wilde sneven,
Dan zich over te geven








Hier leert hij 't schrijven en de talen,
En wetenschappen zonder draalen;
Hij onderscheidde zich door vlijt,
En zucht naar hooge kundigheid








't Kleermaken zal hij hier gaan leeren,
Regenten konden zulks begeeren;
Dan 't zitten stond hem gansch niet aan,
Hij liet zich dus al ras ontslaan.








Dit hoopte men zou beter lukken,
Maat 't lot heeft somtijds rare nukken;
Het maaldersleven vond hij flauw,
Zijn baas ontsloeg hem dan ook al gauw








Zijn eigen keus was 't zeemansleven,
Zie hem hier als matroos begeven;
Aan boord van 't schip de Wassenaar,
Vaarwel, mijn vriend! Mijn tijd is daar.








Door goeden dienst, beleid en trouw,
Waar 't zijne plicht eens gelden zou,
Is hij reeds luitenant ter zee;
Zijn hoop is dus vervuld alree.








Van Speyk verschijnt hier met zijn boot,
En werpt gestadig 't moordend lood;
Op Antwerp's diep begroefden wal,
Hetgeen hij lang gedenken zal.








Tot loon dat hij den eersten schoot,
Met kruid en ballen van den boot;
Heeft hem de koning dus vereerd,
En met kruis gedecoreerd.








Door wind en storm en ongeval,
Zakt dicht tot onder Antwerps wal,
De kannoneerboot van Van Speyk,
Haast ligt hier zijn misvormde lijk








Eer dat Van Speyk het dulden wou,
En hij zich overgeven zou,
Vliegt hij veeleer met zwaar gerucht,
Met vriend en vijand in de lucht.








Van Speyk is dood, en in zijn lot,
Deelt menigeen van 't zeemansgenot.
Gekwetsen in groot getal;
De boot geraakt vast op den wal.








Men heeft in 't Amstels weezensticht,
Van Speyk een grafsteen opgericht.
Dit zedig marmren monument,
Vermeldt u zijn begin en end.







--------------------------------------------------------------------------------

    

5 februari 1831: Z.M. kanonneerboot numer 2 raakt op de Schelde vóór Antwerpen door een plotselinge windvlaag aan lager wal, zodat Belgen aan boord kunnen springen. De commandant, de tweede luitenant-ter-zee Jan Carel Josephus van Speijk, gooit zijn sigaar in het kruit. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Hij had, in zekere zin, zijn bejubelde zelfmoord eerder aangekondigd. Hij schreef in december 1830 aan zijn nicht 'Intusschen moet ik Ued zeggen (zoo ik hoop mij te willen geloven) dat eerder Boot met kruid en mij in de Lugt gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het Vaartuig over te geven'.

In Nederlands-Indie nam Van Speijk deel aan de strijd tegen de radja van Boni op Zuidwest-Celebes in 1823. In 1825 begon de grote Java-oorlog en spoedig kreeg de jonge zee-officier te Soerabaja het bevel over Z. M. kanonneerboot no 16. Hij bestookte beurtelings de kusten van Bangka en Java en verwierf de bijnaam 'Schrik der Roovers'. HIj was reeds ridder in de Militaire Willemsorde vóór het uitbreken van de Belgische opstand. Zijn heldendood verwekt in het Noorden van het Oranje-koninkrijk een golf van vaderlandsliefde en dan nog wel op het juiste moment, het ogenblik van de wapen oproep van koning Willem I, die de natie rijp moet maken voor de Tiendaagse Veldtocht van Augustus.


Charybdis - Van Speijk