Walhalla (Old Norse Valhöll, "Hall of the Slain") is Odin's hall in Norse mythology, located in the Asgardian realm of Gladsheim and is the home for those slain gloriously in battle (known as Einherjar) who are welcomed by Bragi and escorted to Valhalla by the valkyries. (The "höll" part of Valhöll means 'hall'.) The term 'Valhalla' has entered popular usage for an ideal, heaven-like destiny. The main gate of Valhalla is called Valgrind, which is described in Grímnismál as a "sacred gate", behind which are the "holy doors" and "there are few who can tell the manner by which it is locked". The hall itself has 540 doors, so wide that 800 warriors could walk through side-by-side. It is said that there is room enough for all those chosen. Here, every day, the slain warriors who will assist Odin in Ragnarök, the gods' final conflict with the giants, arm themselves for battle and ride forth by the thousands to engage in combat on the plains of Asgard. Those who die in the fighting will be brought back to life. At night, they return to Valhalla to feast on the boar Sæhrímnir and drink intoxicating drink. Those who do not get to Valhalla go to the home of the dead (Hel), a place beneath the underworld (Niflheim), or one of various other places. Those who are lost at sea, for example, are taken to Ægir's hall at the bottom of the sea or loch. In addition to the Valkyries and the Einherjar, a rooster named Gullinkambi lived there.

WALHALLA : oud-IJslands Valhöll, betekent letterlijk Zaal (höll, halla) voor de Gevallenen (val, wal). In de Noordse mythologie was het Walhalla een speciale hemel, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd.
Voor de Vikingen was het sneuvelen in de strijd de hoogste eer die een man kon halen; de angst om een natuurlijke dood te sterven was zo groot dat veel mannen zich op het ziekbed lieten doorboren met speren.

Volgens de Vikingen was het Walhalla het rijk van de god Odin. De Vikingen geloofden dat de helden van Odin dagelijks in de strijd sneuvelen om 's avonds door Óðinns krijgsmaagden, de walkuren, van het slagveld naar het Walhalla te worden gebracht. Hier werden ze onthaald op varkensvlees en honingwijn. Elke ochtend keerden de strijders terug naar de strijd om opnieuw gedood te worden.

De Vikingen waren ervan overtuigd dat het Walhalla een enorme zaal was, gelegen in Asgard. De afmetingen waren fenomenaal. Volgens de Grimnismál zou het Walhalla 500 poorten hebben en nog eens 40 die elk 800 krijgers herbergden.

De vloer was met speren bedekt, de wanden bestonden uit schilden en op de banken lagen pantsers. Van het westen bewaakte een wolf de poorten en een adelaar waakte uit de lucht. En op het dak stonden nog een hert en een geit.

Voor de ingang stond een met goud bewerkte haag, Læraðr, de geit Heiðrun voedde zich met de takken en produceerde de mede die de Einherjar dronken. Een deel van de gevallenen verbleef ook in Vingolf ("vriendelijk huis").

Niet alle gesneuvelden gingen naar Odin, Freya kreeg de helft van de gevallenen, zij kwamen in Folkvangr (Veld van het volk). Naast het Walhalla bestond nog een ander dodenrijk, Niflhel, die bedoeld was voor de zieken, ouderen, de vrouwen en mannen die een natuurlijke dood waren gestorven. Deze wereld werd geleid door de godin Hel. De ingang werd bewaakt door de hond Garmr.




Walhalla